Leesuitdaging Ezzulia februari 2023

De prachtige houten lambrizeringen en het gouden licht van de leeszaal van de bibliotheek van Milaan (IT) zijn deze keer het decor voor de leesuitdaging van Ezzulia van februari 2023.

Januari was tegengevallen. Lag het aan de uitdaging zelf? Het is mogelijk.

Het thema was fictie waarvan de voornaam van minstens één personage begon met de letter A of letter S, omdat iemand van het forum in januari 50 werd, en dus Abraham of Sara had gezien.

Spijtig genoeg zijn er niet eens tien boeken gelezen.

De volledige lijst staat hier.

Deze maand ben ik de uitdager, en ik hoop dat we deze keer de uitdaging wel halen: namelijk allemaal samen minstens 15 boeken lezen met hetzelfde thema.

Dat thema staat hier.

“Gluren bij de buren”, Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar

gluren bij de buren, taal, nederlands, vlaams, taalverschillen Gluren bij de buren, Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar
bespreking: Peter Motte, 1484 woorden


Woordenboeken bestaan in allerlei maten. Er zijn dialectwoordenboeken met combinaties met Belgisch-Nederlands, Zuid-Nederlands of Vlaams-Nederlands.
Om met het eenvoudigste te beginnen: Vlaams-Nederlands. In principe is dat Nederlands in Vlaanderen. Maar terwijl tegenwoordig Vlaanderen wordt beschouwd als het Nederlandstalige gebied van België, is er ook een stuk Vlaanderen in het noordwesten van Frankrijk, en in het zuidwesten van Nederland is er Zeeuws-Vlaanderen. Die gebieden hebben de ingweonismen gemeenschappelijk: taalkenmerken die ook in het Engels bestaan en die afkomstig zijn van volkeren uit Noord-Europa.
Het Zuid-Nederlands is een groep Nederlandse dialecten die zich onderscheidt van Noord-Nederlands. De grens tussen beide streken wordt gevormd door de “Grote Rivieren”. Dat is een gebied waarin de Rijn en de Maas eerst een tijdje gescheiden van elkaar lopen, om uiteindelijk door allerlei waterlopen en kanalen te verstrengelen, zodat je niet eens meer weet in welk water je zwemt.
De taalkundige scheiding ontstond door de uittocht van Vlamingen in de periode van de Val van Antwerpen. Wie al eens Noord-Brabant heeft bezocht, zal hebben gemerkt dat het Nederlands daar inderdaad anders is dan in bijv. Noord-Holland. Het klinkt in Vlaamse oren vertrouwder door de gemeenschappelijke Brabantse elementen. Het Brabantse dialect is de dominante taalvorm in Vlaanderen, maar komt ook voor in het zuiden van Nederland, ten zuiden van de Grote Rivieren.
Belgisch-Nederlands is Nederlands dat alleen in België wordt gebruikt, ontstaan door de staatkundige scheiding van België en Nederland. Het bevat vooral gallicismen, gemakzuchtige letterlijke vertalingen van het Frans naar het Nederlands, die werden ingevoerd door Vlamingen die gebrekkig onderwijs in hun eigen taal hadden gekregen, maar ook door Franstaligen die Nederlands probeerden te spreken. Een groot deel van de gallicismen is ingevoerd door tweetalige Belgen. Bovendien hebben sommige Franstaligen in de Nederlandstalige streken van België zich wel degelijk aangepast. Spijtig genoeg hebben zij daarbij veel gallicismen ingevoerd.
Als er dus een taalboek of woordenboek over taalverschillen tussen Vlamingen en Nederlanders verschijnt, bestaat het gevaar dat er een potpourri ontstaat doordat taalelementen met totaal verschillende achtergronden door elkaar worden gegooid.
Een extra complicatie is dat Hollands gemakkelijk als echt Nederlands wordt beschouwd. Het is inderdaad de dominante dialectgroep in Nederland, maar de streek ervan is beperkt tot de provincies Zuid- en Noord-Holland, en belangrijke stukken van de aangrenzende provincies. De noordoostelijke streken van Nederland, vooral Groningen, spreken geen Hollands. En de zuidoostelijke streken, zoals rond Maastricht, spreken Limburgs. En zoals hierboven uiteengezet, wordt de zaak gecompliceerd door de Grote Rivieren. Noord-Brabanders klagen soms dat “de Hollanders” hun teksten “te Vlaams” vinden. De kous is dus niet af door “Vlaams” te contrasteren met “Hollands”.
Die ingewikkelde achtergrond is een ideale voedingsbodem voor misverstanden over wat Vlaams en correct Nederlands zijn.
Want ondanks alles is er wel degelijk correct en niet correct Nederlands, en de discussie erover wordt vaak verwrongen door verzwegen belangen.
Om te beginnen dient een standaardtaal in de eerste plaats om door zoveel mogelijk mensen over een zo groot mogelijk gebied te worden begrepen. Het gaat niet om cafépraat of om moppen vertellen. Het gaat om wetteksten, contracten, technische handleidingen en wetenschappelijke teksten. Het gaat om rechtszekerheid en duidelijk overgebrachte informatie, die in sommige gevallen van levensbelang is (cfr. veiligheidsrichtlijnen in technische handleidingen). Veel klachten over Standaardnederlands doen daardoor niet ter zake.
Mensen die het zouden moeten weten – taalkundigen, taalleraren en taaljournalisten – lijken dat soms niet door te hebben, en gooien samen met de luidst roependen het kind met het badwater weg. Enige jacht op populariteit om boekjes te verkopen, zal daar niet vreemd aan zijn.
De verschillen tussen al die Nederlandse varianten worden vaak uitvergroot om het publiek te overtuigen. En toch kunnen we nog altijd Nederlandse en Vlaamse radio- en tv-programma’s volgen zonder vertaler of tolk. Probeer dat maar eens met het Duits. En hoe verklaar je dat sommigen klagen dat Nederlanders en Vlamingen verschillende talen spreken, terwijl anderen beweren dat je Duits gemakkelijk begrijpt zonder les te volgen? Sommigen zeggen zelfs dat ze Frans zouden leren door gewoon een week in Frankrijk te zijn!
Zulke bedenkingen kun je in het achterhoofd houden als je de inleidingen van Rik Schutz en Ludo Permentier leest. Eigenlijk ontkennen ze die ook niet. Ze willen alleen maar dat de vaststelling over de hoge onderlinge begrijpelijkheid de eer krijgt die ze toekomt en dat er minder streng wordt gereageerd op een afwijking. Maar daarmee lopen ze het risico het idee van de standaardtaal te begraven.
Wat zeggen de auteurs zelf over hun benadering? Wel, in het treffend genoemde Tussenwoord staat: “In dit boek gaat het alleen om woorden en uitdrukkingen. Om precies te zijn: om woorden en uitdrukkingen die maar aan één kant van de grens gebruikelijk zijn en daardoor bij de buren voor verwarring kunnen zorgen, bijvoorbeeld het Vlaamse woord “buitenwipper” en het Nederlandse “beunhaas”. Het kunnen ook woorden of uitdrukkingen zijn die een andere betekenis hebben in Nederland en Vlaanderen, zoals “lopen” voor “wandelen” (Nederland) en “rennen” (Vlaanderen). Of juist verschillende woorden of uitdrukkingen die hetzelfde betekenen, bijvoorbeeld “dat zijn vijgen na Pasen” (Vlaanderen) en “dat is mosterd na de maaltijd” (Nederlands) (…) Je vindt in dit boek woorden die in Vlaanderen en Nederland algemeen gebruikt worden, of ze nu tot de spreektaal of de schrijftaal behoren, formeel of informeel zijn, en puristisch of niet. Omdat het alleen om variatie in woorden en uitdrukkingen gaat, staan er in dit boek dus geen woorden waarvan het enige verschil is dat Vlamingen en Nederlanders ze verschillend uitspreken, maar die verder gelijk zijn in spelling en betekenis, en waarvan de gevoelswaarde ook hetzelfde is. (…) Om dezelfde reden vind je in dit boek geen grammaticale verschillen, die overigens toch al gering zijn. “
Maar het echte probleem met het boekje is niet zozeer dat ze erkennen dat er varianten zijn. Het echte probleem is dat ze suggereren dat er één variant in Vlaanderen zou voorkomen. Alleen al de complexiteit van die verschillen maakt duidelijk dat zoiets onmogelijk is.
Ook krijgt de lezer in dit boekje de indruk dat de samenstellers niet vertrekken van objectieve gegevens, maar van hun eigen ervaringen, voorkeuren en omgeving en op basis daarvan woorden als “vreemd” of “niet vreemd” klasseren. Steunen de auteurs op dialectwoordenboeken? Hun gewoonten? Steekproeven? En bij wie hebben ze die steekproeven uitgevoerd?
Het is een goede zaak dat ze geen rekening hielden met uitspraakverschillen, maar taal is meer dan uitspraak. Vlamingen zeggen woorden die slechts een minderheid van hen zal schrijven, en omgekeerd. En hetzelfde geldt ook in Nederland. Daardoor kunnen Nederlandse teksten die voor de andere taalgroep worden aangepast in het beste geval koddig en in het slechtste geval misplaatst overkomen. Bijna elke Vlaming zegt “kleedje” als hij “jurk” bedoelt, maar als “kleedje” op een etalageruit staat, kijkt iedereen vreemd op.
Boekjes als dit gaan voortdurend voorbij aan de grote variatie in de taalverschillen, terwijl ze die zouden verdedigen. Niet elke Vlaming zegt “tas” in plaats van “kopje”. Maar “tas” staat wel in het boekje, en de andere varianten niet. “Tas” wordt hier dus tot “gebruikelijk” in Vlaanderen uitgeroepen, terwijl dat niet waar is. Het boekje vermeldt zelfs woorden die ik niet eens ken.
De algemeenheid van sub-standaardtaal is vaak van korte duur. Niet elke Vlaming gebruikt het woord “schuifaf” in plaats van “glijbaan”. “Schuifaf” is maar in een klein gebiedje rond Vilvoorde bekend, en kende tijdelijk een bredere verspreiding omdat het ooit de titel van een kinderprogramma was dat werd gemaakt door een tv-zender … in Vilvoorde! Toen het programma verdween, zakte ook het woord weg.
Tegelijk is de ijver voor een algemeen Vlaams een slag in het water. Vlamingen die denken dat Algemeen Vlaams gemakkelijker zou zijn dan Standaardnederlands, vergissen zich. Ze zouden hun taalgebruik nog altijd moeten aanpassen aan dat van anderen. Het blijft vechten tegen de rode balpen. Een standaard blijft een standaard, en niemand wordt daarmee geboren.
Het boekje wekt de indruk dat er over de grens een standaard bestaat, die er niet is. De lezer riskeert zijn taal aan te passen zodat hij nog minder begrepen wordt en bovendien in de verkeerde context met de verkeerde zinsneden uitpakt.
Wat is dan de verdienste van “Gluren bij de buren”?
Het kan een leuk cadeauboekje zijn. Uiteindelijk zijn al die taalverschillen amusant. Je merkt aan de ruime lay-out dat men er een luchtig boekje van wou maken. Er staan zelfs wat cartoons in.
Spijtig genoeg is alleen de lay-out luchtig. De teksten vertellen af en toe een grap op basis van clichés of van “plezante woorden” zoals “poepen”. Ook is de uitleg soms onduidelijk. Veel brengt het ons niet bij. Gelukkig kun je het op één avond uitlezen. Het is iets voor onder de kerstboom. Die wordt na de feesten ook in brand gestoken.
Gluren bij de buren, Heidi Aalbrecht & Pyter Wagenaar, inleidingen: Rik Schutz & Ludo Permentier, 2016, Utrecht/Antwerpen, Van Dale uitgevers, paperback, 21×12 cm, 130 p’s,
isbn 978-94-6077-311-2
prijs: 12,50 euro
woensdag, 11 januari 2017
gluren bij de buren, taal, nederlands, vlaams, taalverschillen

Belgische stripauteurs

België heeft een rijke geschiedenis van stripverhalen en een aantal van de meest invloedrijke en gerespecteerde stripauteurs ter wereld zijn afkomstig uit dit land. Van de klassieke striphelden tot de moderne graphic novels, Belgische stripauteurs hebben een indrukwekkend oeuvre opgebouwd en een belangrijke bijdrage geleverd aan de stripwereld.

Een van de meest beroemde Belgische stripauteurs is Hergé, de schepper van de beroemde stripreeks “Kuifje”. Hergé, wiens echte naam Georges Remi was, begon zijn carrière in de jaren 1920 en creëerde de avonturen van de jonge reporter Kuifje, die bekend stond om zijn heldhaftige daden en nauwkeurige onderzoeksjournalistiek. De stripreeks werd een wereldwijde sensatie en werd vertaald in meer dan 80 talen. Hergé wordt vaak beschouwd als een van de grootste stripauteurs aller tijden.

België is ook de thuisbasis van een aantal andere beroemde stripauteurs, zoals Willy Vandersteen (Suske en Wiske), André Franquin (Gaston Lagaffe) en Marc Sleen (Nero). Deze auteurs hebben elk hun eigen unieke stijl en hebben een blijvende indruk achtergelaten op de stripwereld. In recentere tijden hebben Belgische stripauteurs ook bijgedragen aan de groei van de graphic novel.

Leesuitdaging Ezzulia januari 2023

Hierboven de bibliotheek van het … Vaticaan. Daar schijnt ook een hele verzameling geheime boeken te liggen, die nauwelijks toegankelijk zijn.

Op Ezzulia worden momenteel nieuwjaarswensen uitgewisseld, maar dat weerhoudt hun er niet van om de enige leesuitdaging van het jaar die met vuurwerk wordt aangekondigd, te organiseren.

De leesuitdaging van december 2022 leverde 16 gelezen titels op waardoor de uitdaging dus is geslaagd.

De voorwaarden voor de nieuwe uitdaging staan hier.

Meer gegevens over de vorige uitdaging en wat statistieken vind je hier.

And now for something completely different: SpaceX

Striplezers krijgen vaak ruimtevaart voorgeschoteld, en als ik Elon Musk bezig hoor, denk ik soms: hij heeft weer pot zitten snuiven terwijl hij Flash Gordon las.

Al zou ik willen dat Musks claims over SpaceX waar zijn, bovenstaande video bevat meer dan genoeg cijfermateriaal om zijn beweringen te ontkrachten.

Er kwam kritiek op de video, en die kritiek werd weerlegd in de tweede video:

Leescultuur wordt te zielig voorgesteld

Foto van de bibliotheek van Lancaster, Engeland

Hoi,


Niet voor ’t een of ’t ander, maar lezen op een snuggerfoon of tablet is óók lezen. Om maar iets te zeggen: ik heb voor een groot stuk leren lezen op autonummerplaten! (Dat beweert mijn moeder toch. Het is te lang geleden en voor mij geheel en al verzonken in de nevelen der vergetelheid.)


Echte lezers lezen alles wat ze tegenkomen, van bestelbusjeszijkanten tot confituurpotetiketten en de ingrediëntenlijst van hun favoriete müsli of instantpannenkoekenpoeder—wat zou je anders al doen aan tafel? Praten met een mondvol favoriete müsli is echt niet evident (en bij pannenkoekenpoeder wordt het bijna levensgevaarlijk).


Wat allemaal niet wegneemt dat deze echte lezer nog altijd lichtjes lyrisch kan worden van het gevoel dat je krijgt bij het omdraaien van weer een bladzijde van een stevige roman. Met angstige spanning (bij deze jongen voor het eerst bewust bij The Shining van King, meer dan dertig jaar geleden) of gewoon nieuwsgierigheid naar het vervolg—en dat werkt inderdaad net zo goed bij fictie als bij non-fictie, dus “roman” hiervoor was in de letterlijk zin een faux mot. Wie vandaag angstige spanning wil ondervinden kan nog altijd terecht bij King, maar evengoed bij een boek over biodiversiteit, de toekomst van de landbouw of de klimaatverandering. Nieuwsgierigheid werkt net zo goed bij een roman van Pullman of Neal Stephenson als bij het onvolprezen Dames voor Darwin of die dikke pil van Sapolsky.
Kortom wat tegenwoordig ook het probleem is met de boekencultuur (of uitgeverscultuur?!), met de leescultuur is er denk ik niks aan de hand—die gekke tekentjes die door de oude Feniciërs zijn uitgevonden en via de Grieken en Romeinen tot ons zijn gekomen, doen wat mij betreft nog altijd gewoon hun ding. Bril op en weg(l/w)ezen!


Bij deze wens ik jullie allemaal een leuke en vredige kerst en het allerbeste voor 2023!

Van onze gastblogger Jeroen Vanlaer, mastodon @eyckelenburgher@mastodon-belgium.be

Robbedoes / Spirou in Charleroi

Er wordt wel eens gezegd dat er nu veel meer reclame is dan vroeger, maar dat is niet waar. Om te beginnen is alles relatief. Als er alleen maar kranten en tijdschriften bestaan, dan is dat gewoon alles wat je aan media te zien krijgt, en dan is reclame daarin gewoon het maximum aan reclame dat je kunt maken. En als dan iemand daarin reclame maakt, kun je er niet alleen omheen, het is ook de volle 100% aan media dat je te zien krijgt. En die overweldigende indruk daarvan, is dan even hoog als nu.

Maar er zijn natuurlijk altijd veel meer media geweest dan alleen maar kranten en tijdschriften, en van een daarvan zien we hierboven een voorbeeld: fysieke 3D-afbeeldingen van personages uit stripverhalen, in dit geval Yoko Tsuno die als volleerd fotomodel voor de autoverkoop leunt op een Citroën DS Break uitgerust als de tv-reportage-auto van het station RTN waar Ben Beeld en Pol Pola voor werkten. Niet Yoko. Ten minste niet aanvankelijk.

Bovenstaand beeldje is momenteel te zien in een tentoonstelling in Charleroi (België) over 100 jaar Uitgeverij Dupuis, waar niet alleen Spirou-Robbedoes ontstond, maar ook Humo, dat toen nog Humoradio heette (van Humor-radio).

De tentoonstelling is van 17-12-2022 tot en met 30-07-2023, in het Musée de Beaux-Arts, Ecuries Defeld, Boulevard Mayence 87, Charleori. De ingangsprijs is 5 euro. Meet info hier.

Friesland op Mastodon

Mensen zijn aan het weglopen van Twitter door Musks rare streken, en velen trekken naar Mastodon.


Mastodon is een vergelijkbaar systeem. Een van de belangrijkste verschillen is dat het gedecentraliseerd is, en dat iedereen die dat wenst, zelf een Mastodon-server kan opzetten en desgewenst via het Fediverse met de andere servers kan laten communiceren.


In Friesland hebben enkele mensen sinds kort een server geopend.


Het internetadres is https://mastodon.frl


De @mastodon.frl is “voor iedereen die een warme band heeft met Friesland. De hoofdtaal is Nederlands, ook het gebruik van de Friese taal en andere regionale dialecten wordt gewaardeerd. Dus: van Friezen, voor Friezen, in de breedste zin van het woord!”